‘Wat nu als iemand het er niet mee eens is?’

De eerste reacties toen Bram (19) op zijn zestiende vertelde dat hij zich een meisje voelde, waren zo hartverwarmend, dat het hem een euforisch gevoel gaf. Maar op het moment dat hij het zijn ouders vertelde maakte de euforie plaats voor terughoudendheid en angst. Bij Jans (63) en Willem (59) kruipt Bram langzaam uit zijn schulp.

‘De eerste keer dat ik uit de kast kwam, voelde alsof ik voor het eerst kon ademen. Als kind dacht ik eerst dat iedereen zich zo voelde als ik. Maar vanaf groep zes ontstaat die splitsing tussen jongens en meisjes en toen wist ik ineens niet bij welke groep ik hoorde. Ik voelde me in het midden gelaten. Dat was het allereerste moment dat ik me anders voelde.

Rond die tijd was de documentaire van Valentijn de Hingh (model en transvrouw, red.) op tv. En ik herinner me ook een aflevering van de Taarten van Abel, waarin een meisje vertelde dat ze transgender was. Het was een opeenstapeling van dit soort kleine gebeurtenissen die mij aan het denken zetten.

Op een dag fietste ik terug naar school van mijn dyslexiebijles, en ineens dacht ik: ik geloof dat dit het is! Het eerste dat door mijn hoofd schoot was – ik moest in die tijd vanwege mijn dyslexie heel veel zinnetjes oefenen – ‘Oh nee, als ik nu nog meer anders ben, dan moet ik nog meer zinnetjes oefenen.’

De puberteit was de periode van ‘misschien is het morgen weer over.’ Dan kwam het gevoel op, drukte ik het weg, en dan leek het ook even weg. En zo kwam ik de dagen door. Er waren destijds genoeg tv-programma’s over homo’s en lesbiennes die uit de kast kwamen, maar daar identificeerde ik me niet mee. En het besef dat ik zou kunnen en mogen transformeren, dat had ik niet.

Toen ik liefdesgevoelens ging ontwikkelen voor jongens, viel alles op zijn plek. Ik ging mezelf meer accepteren. Het duurde nog een half jaar voordat ik het aan een vriendin durfde te vertellen. En daarna vertelde ik het mijn nichtje. Aan andere vriendinnen. Mijn mentor. Leraren. En iedere keer dat ik het aan iemand vertelde, voelde ik weer die euforie. Ik kreeg het gevoel dat het vanaf nu alleen nog maar beter kon worden. En toen kwam ik uit bij mijn ouders.

Terug de kast in 
Mijn pogingen tot gesprekken werden afgewezen. Op de laatste schooldag van het jaar vond mijn moeder make-up die ik verstopt had op mijn kamer. Ze werd daar heel boos over. Wel maakte ze een afspraak met de huisarts en de VU (Vrije Universiteit, afdeling genderdysforie red.). Maar ik voelde dat mijn ouders dachten dat het iets was dat overging, dat ze misschien zelfs hoopten dat ik tijdens de gesprekken afgewezen zou worden.

Van een reeks aan goede ervaringen ging ik dus naar een behoorlijk slechte ervaring, en dan ook nog eens met mijn ouders, juist degenen waar je altijd op terug denkt te kunnen vallen. Toen kreeg ik het besef: wat als iemand anders ook zo reageert? Na zoveel positieve reacties was dat voor mij geen onderdeel meer van de scenario’s. Die ervaring heeft me terug de kast in geschrokken en het duurde tweeënhalf jaar voordat ik daar weer voorzichtig uit durfde te komen. Ik trok me terug in mezelf. Thuis en op school. Nu denk ik: dat had ik niet moeten doen, het was niet nodig. Ik had zoveel mensen waar ik wel terecht kon, maar ik zag dat niet meer. De angst was te groot.

Een ruzie met mijn broertje was de druppel. De ruzie ging nergens over, maar ik zag toen letterlijk geen toekomst meer voor me. Ik heb aan de praktijkondersteuner verteld dat ik me thuis onveilig voelde. Na drie korte opvangen op groepen, en twee pleeggezinnen, kon ik bij Jans en Willem terecht. Daar woon ik nu bijna een jaar.

Babystapjes
Het thuisgevoel is abstract geworden na die periode van continu verhuizen. Ken je dat gevoel als je terugkomt van vakantie en dan weer in je bed gaat liggen, dat je weer thuis bent? Dat gevoel heb ik hier niet. Maar het is hier wel een veilige plek om me te kunnen ontwikkelen. Ik heb meer zelfkennis. Ik weet beter wie ik ben en waar ik naartoe wil. Al denk ik nauwelijks vooruit. Ik maak babystapjes. Want anders wordt het te groot. En het is al heel groot. Zoals de angst voor het over straat lopen als het eenmaal zover is, die angst die gaat komen, daar ben ik nu al bang voor. Wat nu als iemand het er niet mee eens is? Zoiets eindigt vaak in verbaal of fysiek geweld, en wat doe je dan?

Gewoon
Eens had ik de illusie dat ik gewoon het roer kon omgooien, zo hup, en nu doen we het anders. Maar zo werkt het niet. Transgenders zijn van de LHBT (lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele personen en transgenders, red.) de minst geaccepteerde groep. Er is veel discriminatie en fysiek geweld. Het is toch iets dat je liever geheim wil houden, omdat je als normaal door het leven wil gaan. Dat is ook het hele idee. Je bent transgender tot na de transitie, en daarna ben je gewoon. Dan ben je waar je wezen wil.’


‘Nu Bram er is, is er weer een reden om thuis te zijn’

Pleegmoeder Jans: ‘Hier mag Bram twijfelen. Hij hoeft hier niets zeker te weten. Het enige wat wij doen, is aandacht hebben voor de groei die hij wil doormaken.

We kenden Bram van zien, zijn ouders wonen verderop. Toen zijn ouders vroegen of hij hier mocht komen wonen, zei Willem: ‘We kunnen er alleen achter komen of het werkt, als we het proberen’. Dus ruimde hij zijn kantoortje op en dat werd Brams kamer. We zitten hier dicht op elkaar, maar het gaat heel goed.

Ons thuis veranderde door de komst van Bram. We hadden een druk leven. Mijn dochter was al een tijd het huis uit. Willem geeft net als ik les, vaart daarnaast in de luxe salonbootjes door de stad en maakt websites. Wij deden al moeite om elkaar eens in de week te zien. Nu Bram er is, is er weer een reden om thuis te zijn.

Ik heb niet het gevoel dat ik een pleegouder ben en een pleegkind hebt. Het voelt als een derde huisgenoot.’

De namen van Bram, Jans en Willem zijn vanwege privacy gefingeerd.


Dit artikel stond in Binding 3/2017, blad voor pleegouders.

De foto is gemaakt door Nienke Laan.

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedinmailby feather