‘Wat nou als ze een heks is?’

Mariska (27) wist dat ze ooit het tehuis zou verlaten en een vader of moeder zou krijgen. Dat werd Marjan. Nu Mariska zelf kinderen heeft, beseft ze pas hoe een ‘normale’ jeugd er uit hoort te zien. Pleegouders adviseert ze: ‘Wacht niet met praten tot kinderen er zelf mee komen. Nare dingen vertellen ze echt niet uit zichzelf.’

‘Ik woonde als klein kind bij mijn vader en stiefmoeder. Ik herinner me de ijskoude douches waar ik onder werd gezet. De hondenpoep die op zolder lag. Mijn broer die maar in bed bleef plassen. Op mijn vierde werd ik opgenomen in het AMC. Ik woog elf kilo, reageerde nergens meer op en weigerde te eten. Ik was geestelijk dood, alleen mijn lichaam werkte nog.’

‘Vanuit het AMC ging ik naar een gezinsvervangend tehuis, een huis met zes kinderen. Daar heb ik tot mijn achtste gezeten. Eigenlijk te lang, maar er was geen andere oplossing. Al die tijd wist ik dat ik een papa of een mama zou krijgen. Toen ik hoorde dat het alleen een mama was, dacht ik: ‘Wat nou als ze een heks is?’’

Op schoot
‘Ik zie Marjan nog zitten op de bank in het tehuis. Ik dook meteen op haar schoot, en voelde: dit zit goed. Ze bezocht me een paar keer, ging met het tehuis mee op kamp naar de Ardennen en drie maanden later mocht ik met haar mee naar huis. Daar vierde ik mijn achtste verjaardag.’

Ze zorgde voor nog zo’n acht pleegkinderen en had daarnaast een goedlopende carrière. Haar hart was groot, maar praten over hoe ik me voelde, dat was voor ons allebei moeilijk. Ik kwam in een identiteitsstrijd. Als ik in de bus zat, keek ik altijd rond. Zou dat mijn moeder zijn? Op mijn elfde ontmoette ik mijn moeder voor het eerst. Ik zag meteen dat we dezelfde handen hadden. Toen kwam ik er pas achter dat ze psychotisch was. Hulp wilde ze niet accepteren.’

Nachten niet thuis
‘Eenmaal in de puberteit werd ik depressief en zelfs suïcidaal. Er was niemand die mij begreep. Zo rot als je je dan voelt, dat gun je echt niemand. Vanaf mijn vijftiende ging het mis. Ik rookte mijn eerste jointje, jatte geld uit de portemonnee van Marjan, kwam soms nachten en uiteindelijk zelfs maanden niet thuis. De dingen die ik deed en meemaakte durfde ik thuis niet meer te vertellen. Er was voor mijn gevoel geen opening. Ik wilde mijn pleegmoeder niet kwetsen en was bang dat ze boos zou worden. Op mijn zeventiende liep ik echt weg van huis. Ik heb toen door heel Nederland gezworven.’

‘Op mijn achttiende heb ik nog kort bij mijn moeder gewoond. Op een bepaald moment leek haar psychose even weg. Ik voelde toen hoe fijn ze het vond om samen te zijn. Ze keek helder uit haar ogen. Maar dat moment was ook ineens voorbij: haar blik en houding veranderden en ze begon een vreemd verhaal over kaartjes voor een optreden van Michael Jackson. Toch was dit moment het meest dierbare dat ik heb meegemaakt. Ik heb toen gezien hoe ze echt was: een fragiele en lieve vrouw.’

Straatmeiden
‘Op mijn tweeëntwintigste raakte ik zwanger. Ik was als de dood dat ik mijn eigen kind zou afstoten. Ik heb gevraagd: hou mij in de gaten. En als ik het niet goed doe, haal mijn zoon alsjeblieft bij me weg. Na verschillende plekken kwam ik uiteindelijk in Alexandria terecht; een opvanghuis voor 32 jonge moeders, allemaal straatmeiden.’

‘Al die tijd dat ik rondzwierf wist ik; bij Marjan staat een bed voor me klaar. Ze was mijn houvast, ook al maakte ik er toen geen gebruik van. Eenmaal zwanger werd het contact met Marjan beter. Ze was bij de geboorte van Jay. Na een half jaar besloten we dat het beter was als Jay vaker bij Marjan ging logeren. Ik wilde hem geen negatieve start geven daar in dat opvanghuis. Ik gaf hem de fles, bracht hem naar bed, maar echte interactie met hem hebben, spelen en communiceren, dat lukte me meestal niet.’

Glas-in-lood
‘Ik woonde bijna drie jaar in Alexandria toen ik tijdens het uitgaan Dennis leerde kennen. Het ging steeds beter met mij, dus ik waagde de stap en ging met hem samenwonen in Enkhuizen. Ook Jay kwam bij ons wonen. Marjan is afgelopen april zelfs verhuisd van Amsterdam naar Enkhuizen, zodat ze in de buurt is en me kan ondersteunen. Acht maanden geleden ben ik bevallen mijn tweede zoon, Brandon. Het gaat goed met ons. Vroeger droomde ik van een huis met een bordeauxrode muur, glas-in-lood ramen, een tuintje en een waaier aan de muur. Ik heb het allemaal. Zelfs een voor- en een achtertuin!’

‘Mijn moeder komt af en toe op bezoek. Soms heeft ze kritiek op mijn manier van opvoeden. Dan denk ik: ‘waar haal je het lef vandaan om dat te zeggen.’ Maar zij ziet dat niet, dus ik slik het maar. Ik weet dat ze de woede die ze naar zichzelf heeft, op mij richt. Ik voel mee met die vrouw. Het is toch degene waaruit je bent geboren. Tegelijkertijd zijn je genen echt niet allesbepalend. Het gaat om wie jou onder de douche zet, op wie je boos durft te worden. Je wordt als blanco A4-tje geboren. Een pleegouder schrijft ook op dat A4-tje.’

‘Het heeft tot mijn tweeëntwintigste geduurd voordat ik me kon hechten aan Marjan. Ik denk dat de onduidelijkheid daar een groot aandeel in heeft gehad. Vragen als: Waarom woon ik niet thuis? Wat is er met mijn moeder aan de hand? Daar werd niet over gepraat. Ik weet dat het zware en emotionele onderwerpen zijn. Misschien wilden de volwassenen me destijds in bescherming nemen. Toch moeten die onderwerpen een keer op tafel. Pas als je die dingen een plek kunt geven, dan kun je je opnieuw gaan hechten.’

‘Wat mij betreft zou er meer aandacht mogen zijn voor de communicatie tussen pleegkinderen en pleegouders. Wacht als pleegouder niet met praten tot het kind er zelf mee komt. Ze gaan nare dingen echt niet uit zichzelf vertellen. Zeg: ‘ik wil graag weten wat er in je omgaat.’ En vraag regelmatig of je pleegkind wil praten. Het kind kan dan op ieder moment opnieuw beslissen. Schuw de zware onderwerpen niet. Als die eenmaal op tafel liggen, durf je de rest ook makkelijker te vertellen.’

Hoe het niet moet
‘Op Marjan ben ik heel trots. Zij heeft in haar eentje de zorg voor de meest zware pleegkinderen op zich genomen. Ik doe alles voor haar, ook als ze straks ouder is. Nu ik zelf kinderen heb, realiseer ik me pas hoe een jeugd eruit hoort te zien. Veel pleegkinderen kunnen bang zijn om zelf kinderen te krijgen. Maar je verleden kun je juist gebruiken: je weet het beste van iedereen hoe het niet moet.’

Dit artikel verscheen in Binding december 2015, blad voor pleegouders van Spirit Jeugd & Opvoedhulp.

Facebooktwitterpinterestlinkedinmailby feather